AI lijkt overal: in het nieuws, in strategieën en in boardrooms. Op de werkvloer zelf is het beeld echter een stuk genuanceerder. Uit ons benchmarkonderzoek onder werkend Nederland blijkt een opvallende paradox: AI is zichtbaar aanwezig, maar nog geen vast onderdeel van het dagelijkse werkproces.
Bijna de helft van de medewerkers (43%) gebruikt AI helemaal niet in het werk. En van de groep die het wél gebruikt, doet het merendeel dat slechts af en toe. Slechts 6% gebruikt AI dagelijks. AI is er dus wel, maar nog lang geen vaste waarde.
Van experiment naar gewoonte? Nog niet.
Voor de meeste medewerkers is AI iets dat er “af en toe bij wordt gepakt”, vooral voor praktische taken zoals teksten schrijven en verbeteren (54%) en informatie opzoeken of samenvatten (51%).
AI fungeert daarmee vooral als assistent, niet als volwaardige sparringpartner. Het helpt om werk sneller te doen (60%) en soms ook beter (54%), maar dat enthousiasme is niet onverdeeld. Een aanzienlijke groep blijft neutraal of ziet die meerwaarde niet.
Ook op het gebied van werkplezier is het beeld gemengd: waar 39% AI als een verrijking ziet, ervaart één op de vijf juist het tegenovergestelde. AI maakt werk dus vaak efficiënter, maar niet automatisch beter of leuker.
De echte spanning: gemak versus vakmanschap
Interessanter dan het gebruik zelf is de onderliggende twijfel. Medewerkers zijn niet massaal bang om afhankelijk te worden van AI: slechts 18% verwacht problemen als AI zou wegvallen. Tegelijkertijd vraagt 41% zich wél af of ze niet te afhankelijk worden.
30% zegt dat AI hen dwingt na te denken over de toegevoegde waarde van hun werk. Een kwart vindt dat AI hen soms lui maakt en maakt zich zorgen over de toekomst van hun functie.
Hier ontstaat een nieuw spanningsveld: wanneer versterkt AI je werk, en wanneer vervangt het (een deel van) je vakmanschap? Voor veel medewerkers is dat nog onontgonnen terrein.
Niet iedereen beweegt even snel mee
Het gebruik van AI verschilt sterk tussen groepen. Jongere en theoretisch opgeleide medewerkers maken er duidelijk vaker gebruik van dan oudere en praktisch opgeleide collega’s.
Zo geeft 33% van de medewerkers jonger dan 35 jaar aan AI nooit te gebruiken, tegenover 57% van de 55-plussers. Onder hbo- en wo-opgeleiden ligt dit aandeel op 24%, vergeleken met 53% onder mbo-opgeleiden en 70% onder medewerkers met maximaal vmbo-onderwijs.
Ook tussen sectoren zijn de verschillen groot: in kennisintensieve omgevingen, zoals financiële en zakelijke dienstverlening, ligt het gebruik aanzienlijk hoger dan in bijvoorbeeld bouw, logistiek of handel.
Opvallend is bovendien dat medewerkers in grotere organisaties relatief vaak aangeven AI helemaal niet te gebruiken. Waar kleinere organisaties ruimte bieden om te experimenteren, lijken grotere organisaties vaker te remmen, bijvoorbeeld door regels, compliance of tragere implementatie.
AI vergroot daarmee verschillen op de werkvloer, tussen medewerkers, teams én organisaties.
Organisaties zoeken nog naar hun rol
Medewerkers die al met AI werken, ervaren nog weinig duidelijke sturing vanuit hun organisatie. Vier op de tien zeggen dat AI-gebruik wordt gestimuleerd, maar bijna één op de vijf ervaart juist het tegenovergestelde. Slechts 38% vindt dat de organisatie voldoende ondersteunt bij het ontwikkelen van AI-vaardigheden, terwijl 22% die steun mist. Nog zorgelijker: slechts 33% ervaart duidelijke richtlijnen voor AI-gebruik, terwijl 30% aangeeft dat die ontbreken.
Dat gebrek aan richting brengt risico’s met zich mee. Zonder duidelijke kaders gaan medewerkers zelf experimenteren, met risico’s voor privacy, dataveiligheid en de kwaliteit van het werk. AI-uitkomsten worden niet altijd kritisch getoetst, terwijl ze feitelijk onjuist, onvolledig of misleidend kunnen zijn. Dit leidt tot inconsistentie in werkwijzen en verschillen in kwaliteit. Daarnaast ontstaat inefficiëntie wanneer iedereen afzonderlijk uitvindt hoe AI het beste kan worden ingezet.
Als slechts een deel van de medewerkers AI effectief en verantwoord gebruikt, groeit het risico op verschillen in productiviteit, kwaliteit, ontwikkelmogelijkheden en loopbaankansen. AI wordt dan geen organisatiebreed hulpmiddel, maar een individuele voorsprong.
AI vraagt om nieuwe spelregels
Effectief gebruik van AI vraagt om meer dan alleen toegang tot tools. Het vereist nieuwe vaardigheden: goede prompts formuleren, output kritisch beoordelen en risico’s begrijpen.
Zonder training en duidelijke spelregels ontstaat een grijs gebied waarin onduidelijk is wat mag, wat verstandig is en waar de grenzen liggen. Juist nu AI een steeds grotere rol krijgt, vormt dat een reëel risico voor kwaliteit, compliance, veiligheid en gelijke kansen.
Tot slot: geen technologievraag, maar een organisatievraag
De cijfers uit ons onderzoek laten zien dat AI zich niet vanzelf integreert in het werk. Medewerkers zijn al begonnen; experimenterend, aftastend en soms twijfelend. De vraag is daarom niet óf AI wordt gebruikt, maar hoe bewust en begeleid dat gebeurt. Organisaties die nu geen duidelijke keuzes maken, lopen het risico dat AI zich ongecontroleerd ontwikkelt, met alle verschillen, risico’s en inefficiënties van dien.
De echte uitdaging is dus niet de technologie, maar de regie. Wie die regie niet pakt, laat AI de organisatie sturen in plaats van andersom.





