Met een landelijk onderzoek onder een representatieve groep werkende Nederlanders brengen wij periodiek in kaart hoe werkend Nederland aankijkt tegen hun werk en werkgever. Ruim 2.000 medewerkers namen in het eerste kwartaal van 2026 deel aan het onderzoek. In dit artikel delen we de eerste inzichten.
Positieve eNPS, maar niet bij alle sectoren
De meting in 2026 laat een Employee Net Promoter Score (eNPS) zien van +6. Dat betekent dat het aantal medewerkers dat hun organisatie als werkgever aanbeveelt (promotors) groter is dan het aantal dat dat niet doet (detractors).
Dit geldt niet voor alle sectoren. In de bouwnijverheid en in de landbouw, bosbouw en visserij zijn medewerkers het meest positief over hun werkgever. In deze sectoren ligt de eNPS met +19 en +17 het hoogst. Hier zijn dus duidelijk meer promotors dan detractors. Bij energie-, water- en afvalbedrijven en in de horeca zien we een ander beeld. Met een eNPS van respectievelijk -3 en -7 zijn daar juist meer medewerkers die hun werkgever niet dan wel zouden aanbevelen.
Naast sector zien we ook duidelijke patronen wanneer we kijken naar leeftijd, organisatiegrootte en contracturen. Zo bevelen medewerkers van 55 jaar en ouder hun werkgever vaker aan (+9) dan medewerkers tussen 18 en 35 jaar (+2). Ook organisatiegrootte speelt een rol. In kleine organisaties (minder dan 50 medewerkers) is de eNPS het hoogst (+12). In organisaties met 250 tot 500 medewerkers is deze het laagst (-3). Daarnaast zien we een verband met contracturen: hoe hoger het aantal contracturen, hoe groter de kans dat zij hun organisatie aanbevelen als werkgever.
Veel medewerkers gaan op in hun werk
Gemiddeld genomen zijn bijna 3 op de 4 Nederlandse werknemers bevlogen, dat wil zeggen dat zij opgaan in hun werk, zich uitgedaagd voelen en plezier halen uit wat ze doen. De resultaten laten zien dat dat niet voor elke sector geldt. De hoogste scores vinden we in de onderwijssector en opnieuw in de bouwnijverheid en in de landbouw-, bosbouw- en visserijsector waar bijna 4 op de 5 medewerkers bevlogen is. Aan de andere kant van het spectrum staan organisaties in de horeca en in de energievoorziening, water en afvalbeheer, waar ongeveer 2 op de 3 medewerkers bevlogen zijn.
Verder blijkt dat oudere medewerkers gemiddeld meer bevlogen zijn dan hun jongere collega’s en dat organisatiegrootte een rol speelt. Medewerkers in kleinere organisaties voelen zich over het algemeen meer bevlogen dan medewerkers in grotere organisaties. Het aantal contracturen heeft daarentegen nauwelijks invloed op de mate van bevlogenheid.
Een ruime meerderheid voelt zich betrokken bij hun organisatie
Waar bevlogenheid de relatie tussen de medewerker en het werk beschrijft, gaat het bij betrokkenheid over de kwaliteit van de relatie tussen de medewerker en de organisatie. Met iets meer dan 2 op de 3 medewerkers die betrokken zijn, zien we dat de betrokkenheid van werkend Nederland iets lager ligt dan de bevlogenheid. De relatie met het werk is dus sterker dan de relatie met de organisatie.
Ook hier zien we grotendeels dezelfde patronen als bij bevlogenheid en eNPS. Zo voelen 3 op de 4 medewerkers in de bouwnijverheid en in de landbouw, bosbouw en visserij zich over het algemeen verbonden met hun organisatie. Evenals medewerkers werkzaam in de cultuur, sport en recreatie sector. In de horeca en bij bedrijven in de energievoorziening, water en afvalbeheer voelen 2 op de 3 medewerkers zich betrokken bij hun werkgever.
De uitkomsten laten zien dat betrokkenheid toeneemt naarmate medewerkers meer contracturen hebben. Daarnaast zien we dat nagenoeg 3 op de 4 medewerkers van 55+ zich verbonden voelen met hun werkgever tegenover 3 op de 5 jonge medewerkers (t/m 24 jaar). En net als bij bevlogenheid, zien we hier de meeste betrokkenheid bij medewerkers die in kleine organisaties werken.
Loyaliteit: wie blijft en wie vertrekt?
Dat 3 op de 4 medewerkers aangeeft bij hun werkgever te blijven, laat een duidelijke mate van loyaliteit zien. We zien hier een logisch vervolg op de eerder genoemde resultaten. Wanneer medewerkers meer bevlogen en betrokken zijn, zijn medewerkers minder geneigd om hun werkgever te verlaten. Zo geeft ruim 4 op de 5 medewerkers werkzaam in de bouwnijverheid aan bij hun organisatie te willen blijven tegenover 2 op de 3 van de medewerkers die in de horeca werken.
Bij bedrijfsgrootte zien we dat in organisaties met 250 tot 500 medewerkers en organisaties met meer dan 1.000 medewerkers, men vaker geneigd is te vertrekken. Daarnaast speelt bij loyaliteit leeftijd een duidelijke rol. Jongere medewerkers zijn vaker geneigd om een andere werkgever te zoeken dan oudere collega’s, wat kan passen bij het feit dat jonge(re) medewerkers vaak nog aan het begin van hun loopbaan staan. Bij contractomvang zijn de verschillen in loyaliteit klein.
eNPS, bevlogenheid, betrokkenheid en loyaliteit versterken elkaar.
Kortom, wanneer medewerkers positiever zijn over hun werkgever, is er meer bevlogenheid, meer verbondenheid en een grotere bereidheid om te blijven. In sectoren of groepen waar één van deze elementen achterblijft, bewegen de andere indicatoren vrijwel altijd mee.
Voor werkgevers betekent dit dat investeren in één onderdeel vrijwel altijd doorwerkt in de andere factoren. Een sterke basis in de relatie tussen medewerker en werkgever kan dus een vliegwieleffect creëren.
Binnenkort beschikbaar: de whitepaper Werkend Nederland
Meld je hieronder alvast aan.





